Ik ben een geboren en getogen import-Amsterdamse boy. Ik houd heel erg van woorden en taal. En alles wat daarmee te maken heeft.

Op een expressionele wijze.

Mocht je me met een woord willen vangen, doe dat dan het liefst met

wordsmith.

Openbaar Vervoer.

Het was eigenlijk geen doodgewone treinreis. Het komt best af en toe voor dat ik met de trein reis en er niks opmerkelijks gebeurt. Dat is niet gek, want het zijn vrijwel nooit lange ritten, die ik vaak ook nog eens vul met andere dingen dan het gadeslaan van gedragingen binnen de trein. Deze zondagavond las ik in de Volkskrant Magazine van de week ervoor over de eigenaardigheden van een via e-mail geïnterviewde Matthijs van Nieuwkerk. Lekker artikel. Met name qua schrijfwijze en -stijl; er ontstond een soort dans van aan elkaar gewaagde, digitale gesprekspartners. Althans, dat was mijn associatie. Af en toe werd ik gestoord door de tempowisselingen van de trein en keek ik op. Eén keer keek ik per ongeluk op in de ogen van een medepassagier. “Hé, heb ik jou vorige week niet ook in de trein gezien?!”, was zijn reactie. Een ielig mannetje met een pet en een bril, achterin de 30 en net niet helemaal 100, voor zover ik dat op het eerste gezicht kon inschatten. “Nee, dat kan ik niet geweest zijn.” “Wow, dan heb je echt een tweelingbroer!” Het is aan de ene kant altijd onwijs fascinerend om te horen dat er iemand bestaat die dus zoveel op je lijkt dat anderen je voor die persoon aanzien. Aan de andere kant hoor je dat liever niet, in de utopische wens om zo uniek mogelijk te blijven. Maar nu niet. Het ging me niet eens zo zeer om de inhoud, maar was vooral blij dat mensen elkaar af en toe nog zomaar aanspreken. Ook als daar een ongewenste dubbelganger voor nodig is.

De man begon vervolgens vrolijk te kletsen tegen een jong stel in de vierzitter naast hem, dat een pup bij zich had. Zijn moeder had precies eenzelfde soort hond, maar die was inmiddels dood. De pup kwam aangehobbeld, keek me aan en begon aan m’n schoen te knagen. Ik vond het leuk. De vrouw aan de andere kant van het gangpad ook. Ze was me al opgevallen, de wat voluptueuze, leuke, halfdonkere verschijning, ergens begin 30, met een grote bos donkere krullen en vreemde kledingsmaak. Ze droeg een spijkerjack, rode sjaal, zwarte legging en bruine, hoge All Stars-achtige schoenen zonder veters, maar met een gesp. En met hoog bedoel ik echt hoog. Kniehoog. Ik wist niet dat dat soort schoenen überhaupt bestond. Fascinerend.

Op een gegeven moment deed ze d’r oortjes in. Ik gokte dat ze zich wilde afsluiten van d’r omgeving. Ik gokte goed; ze zette d’r muziek knetterhard. In een overvolle trein hadden mensen nog weleens aan haar kunnen vragen of het iets zachter mag. Maar het was rustig in de trein, dus ze kon doen waar ze zin in had. En dat deed ze. Ik bleef ongegeneerd kijken naar haar ongegeneerde hoofddansbewegingen op “I know what you want” van Busta Rhymes en Mariah Carey. Ze ging er heel lekker op. Ergens hoopte ik nog dat dit allemaal compleet toevallig was en dat het nummer gewoon onderdeel was van een foute playlist. Perfecte zondagavondvulling. Maar het was nog veel mooier: toen het liedje afgelopen was, deed ze d’r oortjes uit, stopte ze in haar tas en staarde zelfgenoegzaam naknikkend voor zich uit. Ze had compleet bewust alleen even naar dit nummer geluisterd, als een bokser die de weg aflegt van de kleedkamer naar de ring. Of een net iets te dikke darter richting podium. Dit was niet haar zondagavondvulling. Die moest nog komen; louter het voorspel was begonnen.

Ik keek naar Matthijs. Matthijs keek met een gekke bek terug.

Filosoveerkracht.

Soit.