Ik ben een geboren en getogen import-Amsterdamse boy. Ik houd heel erg van woorden en taal. En alles wat daarmee te maken heeft.

Op een expressionele wijze.

Mocht je me met een woord willen vangen, doe dat dan het liefst met

wordsmith.

Soit.

Soit. Vriend in het Papiaments. Als je dit geheel fonetisch aan het aanschouwen bent. Soit, doe je ding: aanschouw en beschouw deze associatief gevonden woorden, regelrecht geschud uit mijn mouw. Verwoord en verworden tot iets dat zich pas later zal ontvouwen, op het moment dat jij jezelf onthoudt van onthouden. Het zij zo. Verwacht niet dat ik die woorden zelf ook in z’n geheel onthoud. Geheelonthouders zijn mensen met een fotografisch geheugen die zichzelf al dan niet religieus distantiëren van geneugten. En ik verheug me met de gedachte dat ik bij machte ben autonoom om te gaan met levensvreugde. Vloeibaar of vast, ik vast vast niet, maar soit: af en toe ben ik een ietwat onvermoeibare fantast. Fantastisch neemt het soms een vlucht en verlies ik mezelf in okergele bemoeizucht. Terwijl jij degene bent die de zucht slaakt, denk ik alleen maar: ook via een andere weg had het niet zoveel uitgemaakt. Het. Doet. Er. Niet. Toe.

Zie je wat ik hier doe? Soms lijkt er geen touw aan vast te knopen en beschouw ik jullie als mezelf: haast louter als filantropen. Als geboren op een filantropisch eiland, kennen jullie naastenliefde. Maar naast die liefde bieden jullie ook een luisterend oor. Ik neem het voortouw met een brij aan woorden en brei maar door tot er een gehaakt geheel ontstaat. Het is af, de opperfilantroop verliest haar interesse dusdanig dat ze het eiland verlaat. Zo. Gaan. Die. Dingen.

En dan neem je afscheid. Xander, of Glennis, net zo je wilt, zei het al zo treffend: “Zeg dat je niet hoeft te gaan, schat. Dat je aan mij echt genoeg had. Zeg dat je niet hoeft te gaan, schat. Ga, schat. Want je moet, ik weet je moet.” Soit.

 

Openbaar Vervoer.

Paradox.